Over Erik

Erik Suidman

Erik Suidman (1964–2018) was een Utrechtse kunstenaar met een scherp oog voor de menselijke ziel. Zijn werk confronteert, ontroert en blijft hangen.

Als autodidact begon Erik pas op latere leeftijd met schilderen, maar ontwikkelde in korte tijd een indrukwekkend oeuvre van meer dan 1500 werken. Zijn schilderijen (vaak donker, expressief en aangrijpend) tonen figuren in worsteling met zichzelf en de wereld om hen heen.

Levensloop Erik

* 1964  –  † 2018

1964

Erik Suidman wordt op 5 oktober geboren in Mijdrecht, een plaats die hij later zou betitelen als een ‘duf wederopbouwdrama’.

Zijn ouders, Pam Suidman en Mieke Bakker, hadden elkaar leren kennen bij Lettergieterij Amsterdam v/h N. Tetterode, waar Pam boekhouder was. Mieke zei haar administratieve baan op toen ze ging trouwen. Erik is de middelste van drie kinderen. In 1963 is Pauline geboren, in 1965 komt zijn broer Donald ter wereld.

Over Erik

1967

Het gezin verhuist voor Pams werk naar Benthuizen, vlak bij Zoetermeer.

Erik blijkt een verlegen en gevoelige jongen te zijn, die al snel de beschermeling wordt van zijn moeder.

1973

De ontvangst in Brabant, waar Pam een baan in Den Bosch heeft gekregen, is allesbehalve hartelijk. Het gezin komt terecht in Helvoirt en valt op door een harde G. De boerenkinderen in zijn klas dagen Erik uit, en als hij daar niet op ingaat vinden ze hem arrogant.

Donald en Pauline treffen het beter, met een gemengde klas, zodat Erik in de praktijk veel speelt met de vriendjes van zijn broer. Samen hebben ze de EDS-club (Erik-Do-nald-Suidman), waarmee ze krantjes, puzzels, korte verhalen en tekenfilms maken.

1975

Erik maakt zijn eerste echte schilderij - volgens een interview dat hij later geeft aan een kinderkrant was dat op elfjarige leeftijd. Toch staat hij op jonge leeftijd niet bekend als een schilder in de dop. Hij kan leuk tekenen en ziet meer details dan een ander, maar zijn grootste schilderprojecten betreffen vooral het schilderen en weer herschilderen van zijn kamer. Lange tijd wil hij dierenarts worden. Wel valt zijn schrijftalent op: Erik maakt het een aantal keren mee dat hij aanvankelijk geen voldoende krijgt voor een werkstuk, omdat de onderwijzer zich niet kan voorstellen dat hij het zelf heeft geschreven.

1977

Erik gaat naar de middelbare school in Vught, waar hij beter aardt dan op de lagere school.

1980

Verkleed als Zwarte Piet doet Erik mee aan de intocht van Sinterklaas. Op een gegeven moment glipt hij ertussenuit, gaat het gemeentehuis in en verschijnt dan plots op het dak – dat is tenslotte waar Zwarte Piet thuishoort! Het tekent zijn roekeloosheid. Hij heeft nauwelijks oog voor gevaren en doet wat in hem opkomt. Geen boom is veilig voor Erik.

1982

In de schoolkrant Paskwien schrijft hij een bijdrage met als titel ‘De laatste polo- naise’: een genadeloze afrekening met de gruwelijkheden van carnaval, waarin mensen verwoede pogingen doen het samen gezellig te hebben, maar uiteindelijk worden gekweld door golven van verdriet en teleurstelling.

Over Erik

1984

Erik besluit Nederlands te gaan studeren in Utrecht. Met zijn moeder gaat hij eerst nog naar Kreta, waar hij voor haar een tekening maakt van een gegroefd Grieks mannen- hoofd. In Utrecht komt hij terecht in een studentenhuis aan de Frisostraat. Het echte leven kan beginnen. Erik maakt met zijn nieuwe vrienden lange nachten, zijn keuken puilt uit van het glaswerk en hij rookt als een ketter – dat is dan ook de naam die hij zijn kat geeft: Ketter. Ondertussen studeert hij. Medestudenten moeten aanzien hoe hij de schrijfstijl van gezamenlijke werkstukken volledig naar zich toe trekt: lange, barokke zinnen, waarvan iedere docent wel moet snappen uit wiens koker ze komen. Het leidt zelden tot irritaties, daarvoor is Eriks enthousiasme te ontwapenend. Ook met verf drukt hij overal zijn stempel op. Elke spaak van zijn fiets heeft een andere kleur en als een van zijn vrienden verhuist, dan komt hij niet helpen verven, hij komt schilderen.

Over Erik

1986

Hij krijgt een relatie met Denise Crul, die net als hij in het studentenhuis aan de Frisostraat woont. Ze studeert aan de Kunstacademie. Behalve creativiteit delen ze een passie voor rommelmarkten en verre reizen. Samen verzamelen ze kandelaars, kroonluchters en andere snuisterijen. Eriks studentenkamer komt gaandeweg steeds voller te staan, met een indrukwekkende collectie Mariabeelden; de gezamenlijke gangen in het studentenhuis raken langzaam verstopt.

1987

Als uitzendkracht werkt Erik een week in een slachthuis. Het weerzinwekkende werk maakt veel indruk op hem en vaak komt hij met zweren op zijn handen thuis. Niet lang daarna wordt hij vegetariër.

In die tijd heeft hij een periode tekenles van Denise, die een klas studenten heeft op de begane grond in de Frisostraat. Ze leert hem portrettekenen, onder meer door goed te kijken, en ze corrigeert zijn werk. Erik gaat er op dat moment niet mee door. Zijn creativiteit zoekt een uitweg langs verschillende kanalen: hij maakt kastjes, bouwt bedden hoog in de lucht en put zich uit in zelfgemaakte cadeaus.

Denise, inmiddels afgestudeerd aan de Kunstacademie, verhuist naar een zelfstan- dige woning elders in Utrecht. De twee zien elkaar minder vaak dan voorheen, ook vanwege haar werk in de mode, maar dat halen ze in tijdens gezamenlijke reizen, naar onder meer Nepal, Egypte, India, Thailand, Cambodja en Kameroen.

1989

Erik doet mee aan de voorstelling Bedankt, lieve ouders, improvisatietoneel onder leiding van een docent van de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar, waar hij duidelijk zijn stempel op drukt. De voorstelling in het Academietheater is niet direct een groot succes, maar de spelers hebben er dusdanig veel lol in dat ze na afloop van de cursus doorgaan met een eigen groepje. Erik schrijft daar een tekst voor, een hilarisch stuk over een gezin dat ’s avonds spelletjes doet, terwijl moeder de geboorte van haar kinderen vervloekt en tegelijk het ‘hemels gezinsgeluk’ verdedigt.

1992

Met een forse vertraging, die onder meer te wijten was aan de ziekte van Pfeiffer, rondt Erik in juni zijn studie Nederlands af. Hij is doctorandus, afgestudeerd op mythe en werkelijkheid in Bezorgde ouders van Gerard Reve.

Daarna kan hij beginnen aan wat zijn bestemming had geleken: een roman schrijven. Hij wil het een jaar de tijd geven en eist aanvankelijk van zichzelf veel discipline: ewoon elke dag aan het werk gaan,of je nou inspiratie hebt of niet. Hij schrijft over een gezin met twee kinde- ren, met opzet zo doorsnee als het maar kan, dat vast zit in een slopende dagelijkse routine. Liefde lijkt er niet te zijn en alle pogingen iets van het leven te maken zijn bij voorbaat gedoemd te mislukken.

1992

Met een forse vertraging, die onder meer te wijten was aan de ziekte van Pfeiffer, rondt Erik in juni zijn studie Nederlands af. Hij is doctorandus, afgestudeerd op mythe en werkelijkheid in Bezorgde ouders van Gerard Reve.

Daarna kan hij beginnen aan wat zijn bestemming had geleken: een roman schrijven. Hij wil het een jaar de tijd geven en eist aanvankelijk van zichzelf veel discipline: ewoon elke dag aan het werk gaan,of je nou inspiratie hebt of niet. Hij schrijft over een gezin met twee kinde- ren, met opzet zo doorsnee als het maar kan, dat vast zit in een slopende dagelijkse routine. Liefde lijkt er niet te zijn en alle pogingen iets van het leven te maken zijn bij voorbaat gedoemd te mislukken.

Over Erik

1993

Hij doet een cursus fotografie, nadat hij het jaar daarvoor foto’s heeft gemaakt voor een reisgids over Berlijn. Hij maakt onder andere zelfportretten, waarin hij met een mes in de mond vervaarlijk in de lens kijkt. Daarnaast fotografeert hij de bruiloft van zijn zus Pauline, ruim zeven maanden zwanger. Voor het afdrukken van de foto’s heeft hij een doka in een van de badkamers van het studentenhuis.

Ondertussen redigeert hij afstudeerscripties, maakt een fotostrip voor het blad van de Hogeschool Utrecht, waar zijn broer Donald redacteur, is en solliciteert op serieuze banen, bijvoorbeeld als medewerker aan een woordenboek: ‘Tijdens het uitdreggen van het grijze advertentiemoeras werd ik getroffen door uw begeesterende oproep. Een woordenboek is voor mij meer dan een dorre verzameling alfabetisch gerangschikte lemmata, ik hanteer het instrument veeleer als een onuitputtelijk reisverslag door de verborgen krochten van het Nederlands taalgebied’, schrijft hij aan Het Spectrum. En aan De Groene Amsterdammer: ‘Te midden van ingeslapen of door crises vermolmde opinieweekbladen blijft De Groene een oase van kritisch chagrijn. Meer dan graag verruilde ik dan ook het uitgehold karkas waarin mijn dagen zich ten einde slepen voor de warmte van uw burelen.’

1994

Zijn huisgenoten zien blijkbaar iets anders in Suidman dan een schrijver. Iemand vraagt hem een muurschildering te maken, iets waaraan hij meer plezier beleeft dan aan een jaar lang schrijven. Vervolgens heeft een andere huisgenoot een atelier voor hem.

Later beschreef hij het zo in een folder: ‘In februari 1994 begon Erik Suidman, op dat moment reeds bijna dertig, kalend en keurig afgestudeerd in de Neerlandistiek, vrijwel van de ene dag op de andere in een bij toeval verkregen atelier voltijds te schilderen. Zonder ooit enig schilderkundig onderricht genoten te hebben en ongehinderd door enige kennis van materiaal of techniek zette hij op plompe wijze zijn eerste schreden op het schildersvlak.’ Kalend is hij overigens niet, maar inderdaad bijna dertig.

Suidman komt terecht in een voormalig schoolgebouw aan de Vondellaan op nummer 30, waar hij een atelier deelt met twee anderen, onder wie huisgenote Ellen Sillekens. Met zijn enorme productie gaat hij al snel de ruimte domineren. Hij schildert het eerste jaar met Hema-verf, omdat hij de hoogglanslak zo mooi vindt, en is vooral bezig met leren. De meeste werken die hij in deze periode maakt eindigen later aan de rand van de straat, waarbij hij van een afstand kijkt wie wat meeneemt. Ze zijn stripachtig, niet heftig genoeg naar zijn idee, schattige onder- werpen zoals dierenportretten, al begint hij meteen ook aan een grote serie heili- genportretten, om af te rekenen met zijn katholieke jeugd in Brabant.

In oktober heeft hij voldoende werk om mee te doen aan de open ateliers en een poster te maken waarop hij zich ‘schilder’ noemt.

Over Erik

1995

Erik heeft een bijbaantje bij restaurant Bougainville. Hij begint er als afwashulp, maar mag al snel voorgerechten en toetjes maken. Koken is een van zijn talenten, hij pakt graag groots uit. In Bougainville, en later in de Minnarij, leeft hij zich niet alleen uit op de gerechten, waarbij hij soms afwijkt van de voorgeschreven ingrediënten, hij bouwt er ook een nieuwe vriendenkring op, na jaren veel op Denise gericht te zijn geweest.

1996

Als het pand aan de Vondellaan 30 gaat sluiten verhuist Suidman naar een ander atelier, wederom aan de Vondellaan. Hij heeft er in het souterrain een eigen ruimte, die hij vanwege de kosten in het begin nog wel eens deelt met een onderhuurder. Nog altijd druk aan het leren laat hij zich inspireren door Porky’s Bar, een roze ruimte in het gebouw die hij volhangt met schilderijen van varkens.

Over Erik

1997

Eerste solo-expositie, in het kerkje van Warfhuizen. Hij toont er zijn heiligenbeelden, een serie die hij in februari 1995 al had afgesloten met, aldus een zelfgemaakt A4’tje, ‘een schrijnende verbeelding van het ultieme onderwerp, God zelve, een eerste werk in acrylverf, hetgeen geheel nieuwe paden baande in de moeizame strooptocht der volleerde verbeelding.’ God kost 500 gulden en wordt later afgeprijsd tot 300. Een lokale krant schrijft: ‘Echt vrolijk word je niet, wanneer je de expositie van Erik Suidman bekijkt in het kerkje van Warfhuizen. Maar dat zal ook niet de bedoeling zijn van deze schilder. Zijn werken zijn vaak gruwelijk, bloederig en luguber. Een eigen interpretatie van de thema’s der hagiografieën van de katholieke kerk noemt hij het zelf, gefascineerd door de “overdadige poppenkast waarmee de katholieke kerk haar achterhaald concept verkoopt”. Een duidelijke stellingname, die ongetwijfeld veel tegenreacties oproept. De agressie spat onmiddellijk van de doeken af. Suidman legt de als magisch realistische stripfiguren uitgevoerde martelaren een vervreemdend gebrek aan diepte op. Vrijwel alle geportretteer- den kijken de toeschouwer aan met een gekwelde grijns, opgewekt door de teke- nen van hun martelaarschap.’

1998

Suidman maakt steeds vaker werken die niet aan de straat eindigen. Het avondmaal toont zijn schoonvader die in de regen een bakje friet verorbert. Het slachthuis (‘het enige hoogtepunt uit de korte bloeitijd van het vegetarisch realisme’) is de eerste uit een reeks bloederige taferelen, met drie lachende slagers die zo te zien net vijf mensen hebben afgeslacht en aan een vleeshaak gehangen.

Wel kost het schilderen van dit soort grote werken hem veel tijd – Het slachthuis vol- gens hem bijna een jaar – ook omdat hij lang bezig kan zijn alle anatomische details goed te krijgen. In maart gaan Erik en Denise samenwonen. Zij heeft een huis gekocht aan de Abel Tasmanstraat dat voor hen beiden voldoende ruimte heeft. Door de vele reizen voor haar werk in de mode en het harde werk van Suidman, ook in de avond- en nachtelijke uren, zien ze elkaar weinig. Ze is blij met een plek waar ze samen apart kunnen wonen.

Over Erik

2000

Er komt een einde aan de relatie met Denise. Erik gaat in zijn atelier aan de Deken Roesstraat wonen maar komt na een week weer terug. Niet lang daarna moet hij ook dat atelier verlaten en betrekt hij met al zijn spullen de benedenverdie- ping van de Abel Tasmanstraat. Toch zijn er ook lichtpuntjes. ‘Helaas past uw werk niet in mijn galerie’, schrijft Erna Bijl de Vroe van galerie De Genieloods in

Stichting Erik Suidman © 2026